De Maya-profetieen Feuilleton

(Lees hier het eerste hoofdstuk van mijn roman ‘De Maya-Profetieën’ )
In boekvorm verscheen De Maya-profetieën bij Uitgeverij Petiet

Verschenen in 2003                                         petiet uitgeverij

ISBN 90-75636-45-8 

Het boek werd in het Duits vertaald door Uta Halbreiter onder de naam ‘Der Ruf der Maya’s’. In totaal zijn er inmiddels meer dan 25.000 exemplaren van verkocht.
Veel leesplezier!

 DE MAYA-PROFETIEËN

 Hoofdstuk 1   IMOX (IMIX)       vruchtwater, zee, waterlelie, zeedraak

Imox is de kracht die geboorte geeft aan nieuw leven,

nieuwe scheppingen. Imox laat leven op aarde ontstaan.

Dag uit de Maya-kalender om boodschappen uit de

goddelijke wereld te ontvangen.

 

Als je je leven beschouwt als een tocht over een onbekende rivier, dan kun je misschien zelf niet je bestemming zien liggen, maar de rivier weet het, de rivier weet waarnaar zij stroomt, want ze is al vanaf het begin met het eindpunt verbonden…

Een geslaagd leven betekent voor de Maya’s, dat het je lukt je eigen weg te gaan volgens het teken van de dag waarop je geboren bent. Hoe meer geslaagde levens er zijn, hoe meer de kosmos in evenwicht is. De Maya-priesters zijn ‘zij die de dagen tellen en vertrouwd zijn met de bewegingen van de tijd.’ Zo worden zij genoemd. Vandaar dat Maya-priesters proberen de mensen te helpen om hun weg te vinden. Die weg vind je soms pas na heel veel jaren, als je onverwacht ziek geworden bent en je jezelf afvraagt wat er aan de hand is. Dan ga je naar de Maya-priester die met jou naar de dag van je geboorte gaat kijken.

 

In het vroege voorjaar van 1997 kon ik persoonlijk weinig lijn in mijn leven ontdekken. Mijn carriPre als documentaire filmmaker schoot voor geen meter op. Mijn leeftijd wel; ik was de dertig inmiddels alweer enige jaren gepasseerd. Eigenlijk speelde ik al een tijdje met de gedachte om het bijltje erbij neer te gooien en een totaal andere koers te gaan varen, toen op een dag, vroeg in mei, plotseling de telefoon rinkelde en een volmaakt onbekende stem mij vroeg om met mijn filmcamera naar Zuid-Amerika te komen. Dat was het begin van een op dat moment voor mij onvoorstelbaar avontuur, dat jaren later zou eindigen bij de piramides van de Maya’s.

Maar laat ik eerst bij het begin van deze gebeurtenissen beginnen, laten we zeggen bij de dag dat de laatste bocht in de rivier gerond werd en de aanlegsteiger in de verte zichtbaar werd…

 

Die dag in mei staarde ik in de tuin achter onze grote woonboerderij uit het raam van het tuinhuisje, waarin zich mijn bureau en mijn 16mm Steenbeck montagetafel bevonden. Met nog een archiefkast vol klappers met filmonderwerpen, adressen van tv-zenders, fondsen en financieringsinstellingen was mijn kleine werkruimte daarmee zo goed als gevuld. Op het Limburgse platteland vormde dit tot tuinhuis omgebouwde bouwkeetje de wereldhoofdvestiging van mijn film­productiebedrijf. De wielen van het mobiele huis had ik ingegraven in de grond, aan de lange zijde van de keet had ik twee oude tuindeuren gezet en Diana had me het idee aan de hand gedaan om tegen de voorkant van het huisje nog een veranda met een rieten dak te maken, wat het geheel een exotische, Afrikaanse aanblik bood. Zelf noemde ik het wel eens de meest landelijk gelegen filmstudio van Nederland, met een prachtig uitzicht over onze tuin, waarachter uitgestrekte akkers, aspergebedden en weilanden vol koeien lagen. We wisten dat onze buren mijn werkruimte heimelijk ‘de patatkraam’ noemden, vanwege de ijzeren kachelpijp die een meter boven het dak uitstak. Waarschijnlijk waren ze niet de enigen die deze ruimte op zijn zachtst gezegd een merkwaardige werkplek vonden, en zich afvroegen waarmee ik me nu in godsnaam ledig hield. Dat vroeg ik me zelf ook wel eens af…

We leefden in een uitgewoonde oude boerenhoeve, die we zeer goedkoop konden huren omdat de eigenaar geen zin had om haar goed te onderhouden. Op zaterdagen werkte ik vrijwillig in het onderhoud van natuurgebieden en met het hout dat ik in ruil daarvoor mocht meenemen, verwarmden we in de winter ons huis, dat geen centrale verwarming bezat. We leefden van zeer weinig, en verder deed ik ontzettend mijn best om aan de buitenkant van de maatschappij te blijven, om me niet gek te laten maken door de materialistische samenleving om me heen.

Eigenlijk joeg ik een onmogelijke droom na: reizen over de wereld om de natuurvolkeren van de aarde te bezoeken, ze te fotograferen, filmen en verhalen over hun levenswijze en levensvisie te schrijven. Ik had het vage vermoeden, dat wij in het ‘ontwikkelde westen’ iets over het hoofd zagen. Dat we in onze steeds toenemende haast ergens hard aan voorbijliepen, een bepaalde essentie, rustige, evenwichtige woorden die uit de Aarde kwamen, inzichten die slechts in stilte en in diepe verbondenheid met de natuur tot ons konden komen. Wie kon ik het uitleggen, wie wilde er luisteren in een wereld van overdaad? Dat we in een tijd waren aanbeland, waarin die woorden, die inzichten van peilloze ouderdom, juist van cruciaal belang waren voor het voort­bestaan van de Aarde, van de mensheid. We waren onze innige band met de Aarde verloren, en met de voortschrijdende vernietiging van de inheemse culturen sneden we onze laatste wortels met ons verleden en met de natuur door. We raakten ‘ontaard’ en vergooiden onze kans op overleven, op deze aarde. Iets van die kennis moest bewaard blijven, gered worden, vastgelegd op film, foto, papier. Dat waren de vage gedachten en nauwelijks geformuleerde doelen die mijn levenskoers bepaalden. Ik sloeg links en rechts om me heen, zonder mijn bootje echt goed op koers te krijgen.

En van die zoektocht, die odyssee naar die verdwijnende culturen, moest ik me tegelijkertijd op de een of andere manier in leven houden, omdat ik nu eenmaal zelf niet in de vrije natuur leefde, maar in een kapitalistische economie, die op volle toeren draaide.

Een idealist was ik, verdomd nog an toe, een idealist en een non-conformist. En idealisten leiden niet zelden een armoedig bestaan.

In mijn werkruimte hingen nog bijna tastbaar, als onzichtbare, niet gematerialiseerde deeltjes energie, de woorden uit een discussie die ik een uur geleden met een vriend gevoerd had, en die als zeurende achtergrondmuziek ergens in mijn hoofd bleven voortklinken.

Deze vriend was beeldend kunstenaar. Hij kreeg de ene opdracht na de andere uit het bedrijfsleven.

‘Zo komt er tenminste geld op tafel voor de dingen die ik echt wil maken.’

Ik wist, dat hij zo hard moest rennen voor zijn opdrachten, dat het van dit laatste nooit meer kwam. Deze discussie kwam vaker langs. Beiden bezaten we juist dat deel van de waarheid waarmee de ander niet kon leven. Gedachten gingen door mijn hoofd, ik zocht naar woorden om hem niet te kwetsen, maar die tegelijkertijd mijn bestaansgrond en overtuigingen wel overeind hielden.

‘Misschien heb je gelijk. Maar hoe voorkom je dat je jezelf corrumpeert? Hoe houd ik mijn geloofwaardigheid overeind? Wat ik aan de ene kant met mijn films wil uitdrukken, is dat het roer om moet, dat we op zoek moeten naar een herstel van onze band met de natuur. Hoe kan ik dan tegelijkertijd zo hard meewerken om het systeem in stand te houden en te promoten, dat aan de grondslag ligt van de grenzeloze vernietiging van de natuur? Hoe kan ik dan werkelijk hopen op verandering, wanneer ik daarin zelf als een volslagen schizofreen handel?’

Ik wist met welke woorden ik deze discussie van hem winnen kon, maar iets weerhield me deze woorden uit te spreken. De waarheid was dat ik medelijden met hem had; ik voelde dat hij mij diep in zijn hart benijdde om mijn vasthoudendheid aan mijn keuzes. Ik voelde dat hij afgunstig op mij was, omdat mijn vrouw mij wel hierin tot steun was, terwijl die van hem gillend was weggehold. Als kunstenaar hield ik hem een spiegel voor, waarin hij liever niet keek. Tegelijkertijd hielp mijn gelijk mij geen steek verder. Meer dan de helft van mijn projecten kwamen niet van de grond door een voortdurend gebrek aan geld.

Terwijl hij de grote tuindeuren naar buiten opensloeg en aanstalten maakte om te vertrekken, draaide hij zich nog eenmaal naar me om. Om zijn mond zat een spottend glimlachje, toen hij zei: ‘En daarom zit jij hier, in dit schuurtje in je tuin, tot de wereld verandert?’

Dat was vals van hem, en dat wist hij. En toch haalde ik slechts mijn schouders op, maar toen hij verdwenen was, mompelde ik tegen de leegte die hij achterliet de woorden die ik eigenlijk tegen hem had willen zeggen.

‘En wanneer heb jij voor het laatst de dingen gemaakt die je echt wil maken, Matti? Die je bestaan als kunstenaar rechtvaardigen?’

Wat was het leven soms toch ingewikkeld. Naast het raam, onder de overstekende rieten dakrand van het tuinhuisje, was een zeldzame grasmus bezig met het bouwen van een nest. Raar eigenlijk dat zo’n bijzonder diertje zo’n gewone naam was toebedeeld. Het voortdurend af en aan vliegen van het vogeltje voor het raam onderbrak telkens mijn gestaar, voor even, dan verviel ik weer in diep gepeins over hoe er in vredesnaam een nieuwe impuls moest komen aan mijn bezigheden als filmmaker. Er zouden binnen afzienbare tijd nieuwe projecten moeten gaan lopen, of mijn vorige film zou op zijn minst moeten worden aangekocht door een tv-station.

Mijn plan om een film te maken over sjamanisme kreeg vooralsnog geen magische vleugels. De film zou een dubbelportret moeten worden, van een traditionele sjamaan in een traditionele cultuur ergens in Siberië of Mongolië, en een ‘moderne’ sjamaan in Nederland, in de vorm van een alternatieve genezer. Het zou een beeld op moeten leveren over hoe een oeroud verschijnsel als sjamanisme weer langzaam vorm begon te krijgen in een moderne, rationele en verstedelijkte samenleving als Nederland. Door de ontkerkelijking en de secularisatie, maar ook denk ik door het steeds verdergaande materialisme en de holheid van de consumptiemaatschappij, waren veel mensen, net als ik, op zoek naar nieuwe vormen van zingeving aan het bestaan, op zoek naar dat ene existentiële antwoord op de vraag die vele generaties voor ons al bezig heeft gehouden: Wat doe ik hier? Waartoe is de mens eigenlijk op aarde? Om te consumeren?

Achteraf denk ik, dat ik met deze vragen de hemel bewoog, dat ik hiermee de contouren van de werkelijkheid schiep die zich weldra aan mij zou voltrekken. Want wie zoekt zal vinden…

Wanneer men met de irrationele kanten van het bestaan wordt ge­con­fronteerd, hoor je het wel eens mompelen: ja, ja, er is meer tussen hemel en aarde. Maar de meeste mensen laten het bij die woorden. Weinigen doen vervolgens nog een poging om zelf uit te zoeken, wat er verder allemaal dan nog meer zou kunnen zijn. Ik was op een punt in mijn leven aangekomen waarop ik bereid was om in alle hoeken en gaten naar een bevredigend antwoord te zoeken, omdat dat antwoord mij misschien een aanvaarding van de werkelijkheid in het algemeen zou kunnen opleveren, en bovendien van mijn existentie hier op aarde in het bijzonder. En ergens, misschien ergens, lag in dat antwoord ook een weg die ons kon terugvoeren naar de natuur. Was sjamanisme het antwoord? De overtuiging dat alles in de werkelijkheid bezield is door geestkracht, bewustzijn?

Vanuit die vraagstelling, en ter voorbereiding op mijn film, was ik begonnen aan een persoonlijk onderzoek naar de werking van sja­ma­nistische genezingsrituelen, door mezelf als proefkonijn te beschouwen. Want een belangrijke manier waarop je echt inzicht kunt verwerven in wat er meer is tussen hemel en aarde is volgens mij vooral door persoonlijke ervaring. Er zijn ontzettend veel antropologische studies geschreven over natuurvolkeren, die alleen de buitenkant beschrijven van sjamanistische rituelen. Je kunt er boeken over lezen, films over zien, en urenlang discussies voeren over de vraag of er wel of geen on­zichtbare werkelijkheid om ons heen bestaat, maar voor een uit­eindelijk oordeel over deze materie zul je op een gegeven moment toch zelf de persoonlijke ervaring moeten opzoeken.

Eigenlijk ging heel ver achter dit soort experimenteel onderzoek van me nog een andere vraag schuil, een andere zoektocht; het zoeken naar God. Bestond God nou eigenlijk wel of niet? En zo ja, hoe kreeg ik daar dan bewijzen voor, niet in de zin van een wetenschappelijk bewijs, maar meer in de zin van een persoonlijk bewijs, door per­soonlijke ervaring.

Zelf was ik bijna allergisch geworden voor het woord ‘God’, omdat het beelden opriep van voor mij holle, betekenisloze katholieke rituelen, en van nietszeggende, veel te dikke pastoors, die een onverdraaglijk idioom voerden. Vandaar dat die vraag meestal verstopt bleef onder het denken over een magische werkelijkheid, die naast de onze wel of niet bestond, over de vraag of er leven was na de dood, of reVncarnatie wel of niet mogelijk was en meer van dat soort metafysica.

Gedreven door nieuwsgierigheid en wie weet wat nog meer, begon ik samen met mijn vrouw regelmatig sessies bij te wonen van een Nederlandse paranormale genezer, die zichzelf klankschaal-therapeut noemde en veel met trance-technieken werkte, een staat van zijn die in sjamanistische culturen een grote rol speelt, omdat men in die toestand in staat is om de ‘andere werkelijkheid’ binnen te gaan. Hij had zelfs de euvele moed om zich op zijn visitekaartje aan te duiden als ‘sjamaan’. Ik wilde neutraal blijven in het al of niet accepteren van dit predikaat, en louter afgaan op wat ik zou beleven. Eén zaterdag in de maand dreven we weg op de zachte klanken van de Tibetaanse klankschalen en die prachtige boventoonzang van deze genezer, en traden we binnen in werelden en ervaringen waarover ik verbaasd en enthousiast raakte. Op emotioneel niveau werden er lagen aangeraakt in mijn ziel, die ik jarenlang voor mezelf verborgen had gehouden, maar die door de verfijnde klanken en trillingen bijna vanzelf naar de oppervlakte kwamen drijven. Op een gegeven moment vertelde ik deze therapeut van mijn plannen om een film te maken, over een ‘moderne’ en een traditionele sjamaan. Glimlachend had hij erin toegestemd dat de film deels over hem zou gaan. Ooit had iemand hem voorspeld, zei hij, dat hij nog eens met een film te maken zou krijgen. Ik had verbaasd gegrinnikt en gevraagd of hem ook verteld was of het een succesvolle film zou worden? Hierop had de genezer zeer serieus gekeken, en toen nadenkend geknikt. ‘Het zal heel veel los gaan maken in de wereld’.

Voorlopig maakte het alleen nog veel los bij mezelf. We zijn tenslotte, zoals alles in de materie, trilling, vibratie, en we bestaan voor negentig procent uit water. Geheel volgens de oeroude kalenderprofetieën van de Maya-indianen (waarvan ik toen nog nooit vernomen had; ik dacht dat de Maya’s zo’n duizend jaren geleden op een mysterieuze manier van de aardbodem verdwenen waren) begonnen aan het eind van de Twintigste Eeuw steeds meer mensen zich te herinneren; het leek alsof de knellende banden van de oude religies in de jaren zestig en zeventig waren afgeschud, en het geestdodende materialisme van de jaren tachtig bij velen juist die impuls op gang had gebracht, om weer op zoek te gaan naar de zin van het bestaan. Daar was in de officiële media echter zeer weinig van te merken, behalve in uiterst negatieve termen. Angst­vallig hielden de publieke omroepen vast aan de ideologische grondbeginselen van de zuilen waaruit ze waren voortgekomen. Een film over persoonlijke experimenten met het bovennatuurlijke ging hen dan ook veel te ver. Ik was nu een jaar lang bezig geweest met het zoeken naar mogelijkheden voor mijn film, maar die waren nog geen stap dichterbij gekomen.

Ik werd uit mijn overpeinzingen gehaald, doordat er een prachtige zwarte vlinder op het vensterglas landde. Alweer een zeldzame gast uit het dierenrijk. Geboeid sloeg ik het prachtige insect enige tijd gade.

De rups die een vlinder wordt, de kleur van het diertje: in een sjamanistische cultuur zou dit gegeven meteen een magisch-symbolische uitleg krijgen en geduid worden als een voorteken van persoonlijke transformatie. In een magische wereld hing alles met elkaar samen, had alles een betekenis en kwam alles op het juiste moment naar je toe.

In een magische wereld wel. In een opwelling besloot ik het nummer van de Süddeutsche Rundfunk te bellen. Enige tijd geleden had ik hun een videokopie gestuurd van mijn laatste film, een film over een Asmat-Papoea, die diep in het oerwoud van West-Papoea op geheel eigen wijze strijd voerde tegen de vernietiging van het regenwoud en van zijn cultuur. In Nederland was geen enkele omroep geVnteresseerd geweest in dit onderwerp. Het kappen van de oerwouden was alweer een ‘non-issue’ geworden, het milieu was immers niet meer ‘in’, of misschien waren de gevestigde belangen niet langer gediend met een nog langer voortdurende aandacht voor het probleem. Dus bestond het probleem niet meer, voor de media niet, dus ook niet langer voor het publiek. Met heel veel pijn en moeite had ik de film toch kunnen maken, en daarom stuurde ik hem nu de hele wereld over in de hoop dat ze door buitenlandse zenders zou worden aangekocht en uit­gezonden.

Hoe ik nu opeens de gouden gedachte kreeg om bij de Süddeut­sche Rundfunk per telefoon te polsen hoe de zaken ervoor stonden, is me nog steeds een raadsel. Het is één van de geheimzinnigheden van de doolhof waarin het universum ons heeft geplaatst. Zonder nadenken en volslagen per ongeluk doen we vaak de meest relevante zetten om onze levens de juiste wending te geven. Alleen, hoe leer je, om zonder na te denken, per ongeluk, het juiste te doen? Zodra je je daarop gaat toeleggen, zul je zien dat het niet meer werkt, omdat je het dan te veel wilt sturen met je wil.

Er zijn duizenden tv-zenders in de wereld; normaal gesproken in­for­meerde ik altijd per brief, e-mail of per fax naar zakelijke beslissingen omtrent mijn filmprojecten. Deze keer niet.

De telefoon ging enkele malen over, voordat er een harde klik klonk die aangaf dat werd opgenomen. De contactpersoon die over de aankoop van documentaires ging, meldde zich, met een sympathieke stem. Hoewel ze het een zeer interessante film vonden, hadden ze er helaas geen plek meer voor. Het tv-station had juist een prestigieuze serie documentaires ontwikkeld over de grote wereldreligies; mijn film paste helaas niet bij deze thematiek.

Ik besloot om nog een gokje te wagen.

‘Ik ben me sinds enige tijd aan het verdiepen in het sjamanisme, wat eigenlijk de basis is van waaruit alle grote religies zijn voortgekomen. Ik ben inmiddels bezig met het schrijven van een scenario over dit onderwerp. Zou dat niet bij zo’n serie kunnen passen?’

De andere kant bleef even stil. ‘We hebben juist een film uitgezonden over sjamanen. Een film van Michael Tauchert, dat is een Duitse cineast die in Colombia woont. Hij heeft meer films gemaakt over sjamanen. Kent u hem of zijn films toevallig?’

Ik antwoordde ontkennend. Het gesprek liep ten einde, ik voelde dat het voor mij niets op zou leveren. Na de belofte dat de videokopie naar me teruggestuurd zou worden, verbraken we de verbinding.

Zuchtend staarde ik weer uit het raam en dronk van mijn koffie. De vlinder was verdwenen, maar door de ijle damp die van mijn hete mok koffie kwam, zag ik de grasmus opnieuw komen aan­vliegen met in zijn kleine spitse snaveltje enkele houten takjes. Die was tenminste flink bezig met het bouwen van een nest. Ik moest ook voor mijn nest zorgen. Twee weken geleden was onze tweede zoon geboren. Als mijn filmproject over sjamanisme niet deze zomer nog zou gaan lopen, dan zou ik noodgedwongen op ander werk uit moeten.

Eigenlijk had ik al links en rechts hiervoor geVnformeerd. Misschien was het ook wel beter, om eens een tijdje iets geheel anders te doen dan afwachten.

Opeens rinkelde de telefoon. Ik nam aan en noemde mijn naam. Iemand begon in het Duits tegen me te spreken.

‘Met Michael Tauchert. Ik hoorde dat je een film wilde maken over sjamanisme. Klopt dat?’

Ik antwoordde bevestigend, verbaasd. Aan de lijn was de filmmaker waarover die man van de Süddeutsche Rundfunk daarnet had ge­sproken. Hoe kwam hij aan mijn telefoonnummer?

‘Luister. Ik zit nu in Frankfurt, maar ik vlieg over twee weken weer terug naar Colombia, waar ik woon. De volgende maand, de 19e juni, komen er uit het hele Amerikaanse continent zo’n vierhonderd indiaanse sjamanen naar Colombia. Ze willen diep in het Amazonegebied bij elkaar komen om gezamenlijk rituelen uit te voeren voor de genezing van de aarde. Het schijnt dat deze bijeenkomst is voorspeld in een van de oeroude Maya-teksten, de Codices.’

De stem vervolgde: ‘Het zijn voorspellingen over enorme veranderingen in de wereld, die over niet al te lange tijd gaan plaatsvinden. Voor de indianenstammen die zullen komen is deze bijeenkomst een uiterst sacrale aangelegenheid. Ze willen absoluut niet dat het daar gaat wemelen van de pers. Vandaar dat ze mij hebben gevraagd om met een videocamera een verslag te maken. Er mag slechts een cameraploeg aanwezig zijn, en ik kan nog hulp gebruiken. Zou jij me daarmee willen helpen?’

Verbaasd haalde ik de hoorn van mijn oor af en keek ernaar. Wat was dit voor een gesprek?

‘Hallo, hallo, ben je daar nog?’, klonk het. De grasmus fladderde weer weg. Vlug drukte ik de hoorn weer tegen mijn hoofd.

‘Ik ben er nog. Ik was even verbaasd, maar het lijkt me een fantastisch interessant gegeven.’

De man bromde instemmend.

‘Luister. Het is belangrijk dat je je op een volstrekt solidaire manier opstelt naar de Indigenas. Ze willen dat de redenen voor hun bij­eenkomst in de hele wereld bekend wordt, maar ze willen niet dat er op een verkeerde manier mee omgegaan wordt. De meeste indianen hebben zeer slechte ervaringen met de media. Ik ken de mensen van deze organisatie, zij kennen mij en ze vertrouwen me. Het videomateriaal dient achteraf ter beschikking te komen van de organisatie Sendama, maar we mogen er zelf ook een film uit samenstellen. ARTE (een grote Frans-Duitse tv-organisatie) heeft belangstelling voor het idee, en heeft voorlopig zo’n veertigduizend D-Mark toegezegd. Maar dat is veel te weinig. Probeer al je contacten in de filmwereld te bewegen om nog een deel van het project mee te financieren. Je moet zelf je eigen reis naar Colombia betalen en een Betacam videocamera meenemen.’

Michael gaf me zijn telefoon- en faxnummer in Duitsland en in Cartagena, Colombia. Hij hing op, nadat hij beloofd had om me nog een fax te sturen met de officiële uitnodiging.

Stomverbaasd legde ik de hoorn weer op het toestel. Colombia… een grote bijeenkomst in het Amazonewoud… oude Maya-teksten over grote veranderingen in de wereld…

Het leek bijna exact op het gegeven uit een boek, dat ik nog niet zo lang geleden gelezen had, De Celestijnse Belofte. Daarin was ook sprake geweest van geheimzinnige oeroude indiaanse documenten, die opeens opgedoken waren en belangrijke boodschappen bevatten voor onze huidige tijd. Maar dat boek was verzonnen, fictie. Blijkbaar stond deze bijeenkomst echt te gebeuren, volgende maand al…

Opeens begon de fax te rammelen en rolde er een vel papier uit. Aan de enkele woorden Spaans die ik kon lezen begreep ik dat dit de uit­nodiging voor de bijeenkomst was. Gelukkig werd het gevolgd door een tweede vel, dat een vertaling in het Engels was.

Boven aan het blad stond de naam van de inheemse organisatie uit Colombia. Gespannen las ik de tekst:

 

Fundacion Sendama, organisator van de Tweede Bijeenkomst van de Inheemse Ouderen en Priesters van Amerika, Colombia 1997.

 

‘De volkeren van het Centrum moeten de Adelaar van het Noorden verenigen met de Condor van het Zuiden. We zullen ons verenigen met onze broeders, want we zijn een als de vingers van de hand.’

Wanneer men zomaar dingen tot zich neemt zonder om toestemming te vragen, dan is dat schadelijk.

Alles heeft geest, ieder ding heeft zijn eigen adem. Men moet de rituele kennis gebruiken om de behorende vergoeding ervoor te betalen. Dat is belangrijk om te weten en te begrijpen.

                                                   (gedachte van een Arhuaco)

 

In de maand November van 1995, op uitnodiging van de Raad van Ouderen van de Kíchee Maya’s, door middel van de stem van de Oudere en Priester Wacatel Utiw (Zwervende Wolf), officieel genaamd Don Cirilo Perez Oxlaj, verenigden zich in Guatemala vele Ouderen en Inheemse Priesters, die de oorspronkelijke bewoners van het continent representeren.

De uitnodiging gehoorzaamde aan de geschreven oproep in de Maya-codices, die onze tijd beschrijft als een Tijd van Ontwaken van Amerika, de tijd waarin de Sacrale Tradities aan het licht zullen komen die gedurende vijf eeuwen verborgen zijn geweest, de tijd waarin de mens zich weer moet verbinden met de Grote Vader, met Moeder Aarde en met zijn ware geest, waarin de Slang zich verheft en de Condor en de Adelaar elkaar omhelzen.

 

De aanwezigen bij de Eerste Grote Bijeenkomst van Inheemse Ouderen en Priesters van Amerika trokken langs de Ceremoniële Plekken van de Voorouders. Op die manier herleefden de Heilige Tradities, ze mediteerden en spraken met hun Wakas in naam van alle stammen van Amerika, en spraken hun heilige kennis uit. ‘Verenigd als de vijf vingers van de hand’

In het Ceremoniële Centrum van Saculew, op de top van de piramide van Quetzalcoatl, vormden de aanwezige Ouderen die ouder waren dan 52 jaar, op een ceremoniële wijze de Consejo de Ancianos de America, de Raad Van Oorspronkelijke Ouderen van Amerika. Op eenzelfde manier werd geconstrueerd de Consejo de Sacerdotes, de Raad van medicijnmannen en medicijnvrouwen en de Raad van Ser Puentes, de brugpersonen. (personen die, onafhankelijk van hun ras de verbinding tot stand brengen tussen de westerse en de inheemse gemeenschappen.

 

Dan volgde een korte uitleg over Sendama, die de taak op zich had genomen om de Tweede Grote Bijeenkomst te organiseren in Colombia. De tekst vervolgde:

 

Tijdens dit evenement zullen de volgende thema’s aan de orde komen:

 

C   Ceremonies, Heilige Tradities en Profetieën die de culturen van het continent verenigen

C   Kennis van de geest of sjamanistische kennis als een alternatief voor de problemen van de moderne tijd

C   Op traditionele wijze proberen om het evenwicht van Moeder Aarde te herstellen, voor de noodzaak tot overleven van de planeet en haar bewoners

 

Onder aan de bladzijde stond de datum: van 19 tot 30 juni 1997. Daaronder stond nog:

 

Alleen met de medewerking van de culturen die Moeder Aarde verdedigen kan de weg naar vrede en harmonie worden hersteld.

 

Ik moet zeggen dat mijn hand enigszins trilde nadat ik deze tekst gelezen had. Op de een of andere vreemde manier kwam er iets op mijn weg, dat een antwoord inhield waarnaar ik lang had lopen zoeken. Een zoektocht, die ik – misschien toen nog onbewust – zo’n vijftien jaar geleden had aangevangen…

 

Hoofdstuk 1

IMOX (IMIX)

 

 

 

vruchtwater, zee, waterlelie, zeedraak

 

 

Imox is de kracht die geboorte geeft aan nieuw leven,

nieuwe scheppingen. Imox laat leven op aarde ontstaan.

Dag uit de Maya-kalender om boodschappen uit de

goddelijke wereld te ontvangen.

 

 

A

ls je je leven beschouwt als een tocht over een onbekende rivier, dan kun je misschien zelf niet je bestemming zien liggen, maar de rivier weet het, de rivier weet waarnaar zij stroomt, want ze is al vanaf het begin met het eindpunt verbonden…

 

Een geslaagd leven betekent voor de Maya’s, dat het je lukt je eigen weg te gaan volgens het teken van de dag waarop je geboren bent. Hoe meer geslaagde levens er zijn, hoe meer de kosmos in evenwicht is. De Maya-priesters zijn ‘zij die de dagen tellen en vertrouwd zijn met de bewegingen van de tijd.’ Zo worden zij genoemd. Vandaar dat Maya-priesters proberen de mensen te helpen om hun weg te vinden. Die weg vind je soms pas na heel veel jaren, als je onverwacht ziek geworden bent en je jezelf afvraagt wat er aan de hand is. Dan ga je naar de Maya-priester die met jou naar de dag van je geboorte gaat kijken.

 

In het vroege voorjaar van 1997 kon ik persoonlijk weinig lijn in mijn leven ontdekken. Mijn carriPre als documentaire filmmaker schoot voor geen meter op. Mijn leeftijd wel; ik was de dertig inmiddels alweer enige jaren gepasseerd. Eigenlijk speelde ik al een tijdje met de gedachte om het bijltje erbij neer te gooien en een totaal andere koers te gaan varen, toen op een dag, vroeg in mei, plotseling de telefoon rinkelde en een volmaakt onbekende stem mij vroeg om met mijn filmcamera naar Zuid-Amerika te komen. Dat was het begin van een op dat moment voor mij onvoorstelbaar avontuur, dat jaren later zou eindigen bij de piramides van de Maya’s.

Maar laat ik eerst bij het begin van deze gebeurtenissen beginnen, laten we zeggen bij de dag dat de laatste bocht in de rivier gerond werd en de aanlegsteiger in de verte zichtbaar werd…

 

Die dag in mei staarde ik in de tuin achter onze grote woonboerderij uit het raam van het tuinhuisje, waarin zich mijn bureau en mijn 16mm Steenbeck montagetafel bevonden. Met nog een archiefkast vol klappers met filmonderwerpen, adressen van tv-zenders, fondsen en financieringsinstellingen was mijn kleine werkruimte daarmee zo goed als gevuld. Op het Limburgse platteland vormde dit tot tuinhuis omgebouwde bouwkeetje de wereldhoofdvestiging van mijn film­productiebedrijf. De wielen van het mobiele huis had ik ingegraven in de grond, aan de lange zijde van de keet had ik twee oude tuindeuren gezet en Diana had me het idee aan de hand gedaan om tegen de voorkant van het huisje nog een veranda met een rieten dak te maken, wat het geheel een exotische, Afrikaanse aanblik bood. Zelf noemde ik het wel eens de meest landelijk gelegen filmstudio van Nederland, met een prachtig uitzicht over onze tuin, waarachter uitgestrekte akkers, aspergebedden en weilanden vol koeien lagen. We wisten dat onze buren mijn werkruimte heimelijk ‘de patatkraam’ noemden, vanwege de ijzeren kachelpijp die een meter boven het dak uitstak. Waarschijnlijk waren ze niet de enigen die deze ruimte op zijn zachtst gezegd een merkwaardige werkplek vonden, en zich afvroegen waarmee ik me nu in godsnaam ledig hield. Dat vroeg ik me zelf ook wel eens af…

We leefden in een uitgewoonde oude boerenhoeve, die we zeer goedkoop konden huren omdat de eigenaar geen zin had om haar goed te onderhouden. Op zaterdagen werkte ik vrijwillig in het onderhoud van natuurgebieden en met het hout dat ik in ruil daarvoor mocht meenemen, verwarmden we in de winter ons huis, dat geen centrale verwarming bezat. We leefden van zeer weinig, en verder deed ik ontzettend mijn best om aan de buitenkant van de maatschappij te blijven, om me niet gek te laten maken door de materialistische samenleving om me heen.

Eigenlijk joeg ik een onmogelijke droom na: reizen over de wereld om de natuurvolkeren van de aarde te bezoeken, ze te fotograferen, filmen en verhalen over hun levenswijze en levensvisie te schrijven. Ik had het vage vermoeden, dat wij in het ‘ontwikkelde westen’ iets over het hoofd zagen. Dat we in onze steeds toenemende haast ergens hard aan voorbijliepen, een bepaalde essentie, rustige, evenwichtige woorden die uit de Aarde kwamen, inzichten die slechts in stilte en in diepe verbondenheid met de natuur tot ons konden komen. Wie kon ik het uitleggen, wie wilde er luisteren in een wereld van overdaad? Dat we in een tijd waren aanbeland, waarin die woorden, die inzichten van peilloze ouderdom, juist van cruciaal belang waren voor het voort­bestaan van de Aarde, van de mensheid. We waren onze innige band met de Aarde verloren, en met de voortschrijdende vernietiging van de inheemse culturen sneden we onze laatste wortels met ons verleden en met de natuur door. We raakten ‘ontaard’ en vergooiden onze kans op overleven, op deze aarde. Iets van die kennis moest bewaard blijven, gered worden, vastgelegd op film, foto, papier. Dat waren de vage gedachten en nauwelijks geformuleerde doelen die mijn levenskoers bepaalden. Ik sloeg links en rechts om me heen, zonder mijn bootje echt goed op koers te krijgen.

En van die zoektocht, die odyssee naar die verdwijnende culturen, moest ik me tegelijkertijd op de een of andere manier in leven houden, omdat ik nu eenmaal zelf niet in de vrije natuur leefde, maar in een kapitalistische economie, die op volle toeren draaide.

Een idealist was ik, verdomd nog an toe, een idealist en een non-conformist. En idealisten leiden niet zelden een armoedig bestaan.

In mijn werkruimte hingen nog bijna tastbaar, als onzichtbare, niet gematerialiseerde deeltjes energie, de woorden uit een discussie die ik een uur geleden met een vriend gevoerd had, en die als zeurende achtergrondmuziek ergens in mijn hoofd bleven voortklinken.

Deze vriend was beeldend kunstenaar. Hij kreeg de ene opdracht na de andere uit het bedrijfsleven.

‘Zo komt er tenminste geld op tafel voor de dingen die ik echt wil maken.’

Ik wist, dat hij zo hard moest rennen voor zijn opdrachten, dat het van dit laatste nooit meer kwam. Deze discussie kwam vaker langs. Beiden bezaten we juist dat deel van de waarheid waarmee de ander niet kon leven. Gedachten gingen door mijn hoofd, ik zocht naar woorden om hem niet te kwetsen, maar die tegelijkertijd mijn bestaansgrond en overtuigingen wel overeind hielden.

‘Misschien heb je gelijk. Maar hoe voorkom je dat je jezelf corrumpeert? Hoe houd ik mijn geloofwaardigheid overeind? Wat ik aan de ene kant met mijn films wil uitdrukken, is dat het roer om moet, dat we op zoek moeten naar een herstel van onze band met de natuur. Hoe kan ik dan tegelijkertijd zo hard meewerken om het systeem in stand te houden en te promoten, dat aan de grondslag ligt van de grenzeloze vernietiging van de natuur? Hoe kan ik dan werkelijk hopen op verandering, wanneer ik daarin zelf als een volslagen schizofreen handel?’

Ik wist met welke woorden ik deze discussie van hem winnen kon, maar iets weerhield me deze woorden uit te spreken. De waarheid was dat ik medelijden met hem had; ik voelde dat hij mij diep in zijn hart benijdde om mijn vasthoudendheid aan mijn keuzes. Ik voelde dat hij afgunstig op mij was, omdat mijn vrouw mij wel hierin tot steun was, terwijl die van hem gillend was weggehold. Als kunstenaar hield ik hem een spiegel voor, waarin hij liever niet keek. Tegelijkertijd hielp mijn gelijk mij geen steek verder. Meer dan de helft van mijn projecten kwamen niet van de grond door een voortdurend gebrek aan geld.

Terwijl hij de grote tuindeuren naar buiten opensloeg en aanstalten maakte om te vertrekken, draaide hij zich nog eenmaal naar me om. Om zijn mond zat een spottend glimlachje, toen hij zei: ‘En daarom zit jij hier, in dit schuurtje in je tuin, tot de wereld verandert?’

Dat was vals van hem, en dat wist hij. En toch haalde ik slechts mijn schouders op, maar toen hij verdwenen was, mompelde ik tegen de leegte die hij achterliet de woorden die ik eigenlijk tegen hem had willen zeggen.

‘En wanneer heb jij voor het laatst de dingen gemaakt die je echt wil maken, Matti? Die je bestaan als kunstenaar rechtvaardigen?’

Wat was het leven soms toch ingewikkeld. Naast het raam, onder de overstekende rieten dakrand van het tuinhuisje, was een zeldzame grasmus bezig met het bouwen van een nest. Raar eigenlijk dat zo’n bijzonder diertje zo’n gewone naam was toebedeeld. Het voortdurend af en aan vliegen van het vogeltje voor het raam onderbrak telkens mijn gestaar, voor even, dan verviel ik weer in diep gepeins over hoe er in vredesnaam een nieuwe impuls moest komen aan mijn bezigheden als filmmaker. Er zouden binnen afzienbare tijd nieuwe projecten moeten gaan lopen, of mijn vorige film zou op zijn minst moeten worden aangekocht door een tv-station.

Mijn plan om een film te maken over sjamanisme kreeg vooralsnog geen magische vleugels. De film zou een dubbelportret moeten worden, van een traditionele sjamaan in een traditionele cultuur ergens in Siberië of Mongolië, en een ‘moderne’ sjamaan in Nederland, in de vorm van een alternatieve genezer. Het zou een beeld op moeten leveren over hoe een oeroud verschijnsel als sjamanisme weer langzaam vorm begon te krijgen in een moderne, rationele en verstedelijkte samenleving als Nederland. Door de ontkerkelijking en de secularisatie, maar ook denk ik door het steeds verdergaande materialisme en de holheid van de consumptiemaatschappij, waren veel mensen, net als ik, op zoek naar nieuwe vormen van zingeving aan het bestaan, op zoek naar dat ene existentiële antwoord op de vraag die vele generaties voor ons al bezig heeft gehouden: Wat doe ik hier? Waartoe is de mens eigenlijk op aarde? Om te consumeren?

Achteraf denk ik, dat ik met deze vragen de hemel bewoog, dat ik hiermee de contouren van de werkelijkheid schiep die zich weldra aan mij zou voltrekken. Want wie zoekt zal vinden…

Wanneer men met de irrationele kanten van het bestaan wordt ge­con­fronteerd, hoor je het wel eens mompelen: ja, ja, er is meer tussen hemel en aarde. Maar de meeste mensen laten het bij die woorden. Weinigen doen vervolgens nog een poging om zelf uit te zoeken, wat er verder allemaal dan nog meer zou kunnen zijn. Ik was op een punt in mijn leven aangekomen waarop ik bereid was om in alle hoeken en gaten naar een bevredigend antwoord te zoeken, omdat dat antwoord mij misschien een aanvaarding van de werkelijkheid in het algemeen zou kunnen opleveren, en bovendien van mijn existentie hier op aarde in het bijzonder. En ergens, misschien ergens, lag in dat antwoord ook een weg die ons kon terugvoeren naar de natuur. Was sjamanisme het antwoord? De overtuiging dat alles in de werkelijkheid bezield is door geestkracht, bewustzijn?

Vanuit die vraagstelling, en ter voorbereiding op mijn film, was ik begonnen aan een persoonlijk onderzoek naar de werking van sja­ma­nistische genezingsrituelen, door mezelf als proefkonijn te beschouwen. Want een belangrijke manier waarop je echt inzicht kunt verwerven in wat er meer is tussen hemel en aarde is volgens mij vooral door persoonlijke ervaring. Er zijn ontzettend veel antropologische studies geschreven over natuurvolkeren, die alleen de buitenkant beschrijven van sjamanistische rituelen. Je kunt er boeken over lezen, films over zien, en urenlang discussies voeren over de vraag of er wel of geen on­zichtbare werkelijkheid om ons heen bestaat, maar voor een uit­eindelijk oordeel over deze materie zul je op een gegeven moment toch zelf de persoonlijke ervaring moeten opzoeken.

Eigenlijk ging heel ver achter dit soort experimenteel onderzoek van me nog een andere vraag schuil, een andere zoektocht; het zoeken naar God. Bestond God nou eigenlijk wel of niet? En zo ja, hoe kreeg ik daar dan bewijzen voor, niet in de zin van een wetenschappelijk bewijs, maar meer in de zin van een persoonlijk bewijs, door per­soonlijke ervaring.

Zelf was ik bijna allergisch geworden voor het woord ‘God’, omdat het beelden opriep van voor mij holle, betekenisloze katholieke rituelen, en van nietszeggende, veel te dikke pastoors, die een onverdraaglijk idioom voerden. Vandaar dat die vraag meestal verstopt bleef onder het denken over een magische werkelijkheid, die naast de onze wel of niet bestond, over de vraag of er leven was na de dood, of reVncarnatie wel of niet mogelijk was en meer van dat soort metafysica.

Gedreven door nieuwsgierigheid en wie weet wat nog meer, begon ik samen met mijn vrouw regelmatig sessies bij te wonen van een Nederlandse paranormale genezer, die zichzelf klankschaal-therapeut noemde en veel met trance-technieken werkte, een staat van zijn die in sjamanistische culturen een grote rol speelt, omdat men in die toestand in staat is om de ‘andere werkelijkheid’ binnen te gaan. Hij had zelfs de euvele moed om zich op zijn visitekaartje aan te duiden als ‘sjamaan’. Ik wilde neutraal blijven in het al of niet accepteren van dit predikaat, en louter afgaan op wat ik zou beleven. Eén zaterdag in de maand dreven we weg op de zachte klanken van de Tibetaanse klankschalen en die prachtige boventoonzang van deze genezer, en traden we binnen in werelden en ervaringen waarover ik verbaasd en enthousiast raakte. Op emotioneel niveau werden er lagen aangeraakt in mijn ziel, die ik jarenlang voor mezelf verborgen had gehouden, maar die door de verfijnde klanken en trillingen bijna vanzelf naar de oppervlakte kwamen drijven. Op een gegeven moment vertelde ik deze therapeut van mijn plannen om een film te maken, over een ‘moderne’ en een traditionele sjamaan. Glimlachend had hij erin toegestemd dat de film deels over hem zou gaan. Ooit had iemand hem voorspeld, zei hij, dat hij nog eens met een film te maken zou krijgen. Ik had verbaasd gegrinnikt en gevraagd of hem ook verteld was of het een succesvolle film zou worden? Hierop had de genezer zeer serieus gekeken, en toen nadenkend geknikt. ‘Het zal heel veel los gaan maken in de wereld’.

Voorlopig maakte het alleen nog veel los bij mezelf. We zijn tenslotte, zoals alles in de materie, trilling, vibratie, en we bestaan voor negentig procent uit water. Geheel volgens de oeroude kalenderprofetieën van de Maya-indianen (waarvan ik toen nog nooit vernomen had; ik dacht dat de Maya’s zo’n duizend jaren geleden op een mysterieuze manier van de aardbodem verdwenen waren) begonnen aan het eind van de Twintigste Eeuw steeds meer mensen zich te herinneren; het leek alsof de knellende banden van de oude religies in de jaren zestig en zeventig waren afgeschud, en het geestdodende materialisme van de jaren tachtig bij velen juist die impuls op gang had gebracht, om weer op zoek te gaan naar de zin van het bestaan. Daar was in de officiële media echter zeer weinig van te merken, behalve in uiterst negatieve termen. Angst­vallig hielden de publieke omroepen vast aan de ideologische grondbeginselen van de zuilen waaruit ze waren voortgekomen. Een film over persoonlijke experimenten met het bovennatuurlijke ging hen dan ook veel te ver. Ik was nu een jaar lang bezig geweest met het zoeken naar mogelijkheden voor mijn film, maar die waren nog geen stap dichterbij gekomen.

Ik werd uit mijn overpeinzingen gehaald, doordat er een prachtige zwarte vlinder op het vensterglas landde. Alweer een zeldzame gast uit het dierenrijk. Geboeid sloeg ik het prachtige insect enige tijd gade.

De rups die een vlinder wordt, de kleur van het diertje: in een sjamanistische cultuur zou dit gegeven meteen een magisch-symbolische uitleg krijgen en geduid worden als een voorteken van persoonlijke transformatie. In een magische wereld hing alles met elkaar samen, had alles een betekenis en kwam alles op het juiste moment naar je toe.

In een magische wereld wel. In een opwelling besloot ik het nummer van de Süddeutsche Rundfunk te bellen. Enige tijd geleden had ik hun een videokopie gestuurd van mijn laatste film, een film over een Asmat-Papoea, die diep in het oerwoud van West-Papoea op geheel eigen wijze strijd voerde tegen de vernietiging van het regenwoud en van zijn cultuur. In Nederland was geen enkele omroep geVnteresseerd geweest in dit onderwerp. Het kappen van de oerwouden was alweer een ‘non-issue’ geworden, het milieu was immers niet meer ‘in’, of misschien waren de gevestigde belangen niet langer gediend met een nog langer voortdurende aandacht voor het probleem. Dus bestond het probleem niet meer, voor de media niet, dus ook niet langer voor het publiek. Met heel veel pijn en moeite had ik de film toch kunnen maken, en daarom stuurde ik hem nu de hele wereld over in de hoop dat ze door buitenlandse zenders zou worden aangekocht en uit­gezonden.

Hoe ik nu opeens de gouden gedachte kreeg om bij de Süddeut­sche Rundfunk per telefoon te polsen hoe de zaken ervoor stonden, is me nog steeds een raadsel. Het is één van de geheimzinnigheden van de doolhof waarin het universum ons heeft geplaatst. Zonder nadenken en volslagen per ongeluk doen we vaak de meest relevante zetten om onze levens de juiste wending te geven. Alleen, hoe leer je, om zonder na te denken, per ongeluk, het juiste te doen? Zodra je je daarop gaat toeleggen, zul je zien dat het niet meer werkt, omdat je het dan te veel wilt sturen met je wil.

Er zijn duizenden tv-zenders in de wereld; normaal gesproken in­for­meerde ik altijd per brief, e-mail of per fax naar zakelijke beslissingen omtrent mijn filmprojecten. Deze keer niet.

De telefoon ging enkele malen over, voordat er een harde klik klonk die aangaf dat werd opgenomen. De contactpersoon die over de aankoop van documentaires ging, meldde zich, met een sympathieke stem. Hoewel ze het een zeer interessante film vonden, hadden ze er helaas geen plek meer voor. Het tv-station had juist een prestigieuze serie documentaires ontwikkeld over de grote wereldreligies; mijn film paste helaas niet bij deze thematiek.

Ik besloot om nog een gokje te wagen.

‘Ik ben me sinds enige tijd aan het verdiepen in het sjamanisme, wat eigenlijk de basis is van waaruit alle grote religies zijn voortgekomen. Ik ben inmiddels bezig met het schrijven van een scenario over dit onderwerp. Zou dat niet bij zo’n serie kunnen passen?’

De andere kant bleef even stil. ‘We hebben juist een film uitgezonden over sjamanen. Een film van Michael Tauchert, dat is een Duitse cineast die in Colombia woont. Hij heeft meer films gemaakt over sjamanen. Kent u hem of zijn films toevallig?’

Ik antwoordde ontkennend. Het gesprek liep ten einde, ik voelde dat het voor mij niets op zou leveren. Na de belofte dat de videokopie naar me teruggestuurd zou worden, verbraken we de verbinding.

Zuchtend staarde ik weer uit het raam en dronk van mijn koffie. De vlinder was verdwenen, maar door de ijle damp die van mijn hete mok koffie kwam, zag ik de grasmus opnieuw komen aan­vliegen met in zijn kleine spitse snaveltje enkele houten takjes. Die was tenminste flink bezig met het bouwen van een nest. Ik moest ook voor mijn nest zorgen. Twee weken geleden was onze tweede zoon geboren. Als mijn filmproject over sjamanisme niet deze zomer nog zou gaan lopen, dan zou ik noodgedwongen op ander werk uit moeten.

Eigenlijk had ik al links en rechts hiervoor geVnformeerd. Misschien was het ook wel beter, om eens een tijdje iets geheel anders te doen dan afwachten.

Opeens rinkelde de telefoon. Ik nam aan en noemde mijn naam. Iemand begon in het Duits tegen me te spreken.

‘Met Michael Tauchert. Ik hoorde dat je een film wilde maken over sjamanisme. Klopt dat?’

Ik antwoordde bevestigend, verbaasd. Aan de lijn was de filmmaker waarover die man van de Süddeutsche Rundfunk daarnet had ge­sproken. Hoe kwam hij aan mijn telefoonnummer?

‘Luister. Ik zit nu in Frankfurt, maar ik vlieg over twee weken weer terug naar Colombia, waar ik woon. De volgende maand, de 19e juni, komen er uit het hele Amerikaanse continent zo’n vierhonderd indiaanse sjamanen naar Colombia. Ze willen diep in het Amazonegebied bij elkaar komen om gezamenlijk rituelen uit te voeren voor de genezing van de aarde. Het schijnt dat deze bijeenkomst is voorspeld in een van de oeroude Maya-teksten, de Codices.’

De stem vervolgde: ‘Het zijn voorspellingen over enorme veranderingen in de wereld, die over niet al te lange tijd gaan plaatsvinden. Voor de indianenstammen die zullen komen is deze bijeenkomst een uiterst sacrale aangelegenheid. Ze willen absoluut niet dat het daar gaat wemelen van de pers. Vandaar dat ze mij hebben gevraagd om met een videocamera een verslag te maken. Er mag slechts een cameraploeg aanwezig zijn, en ik kan nog hulp gebruiken. Zou jij me daarmee willen helpen?’

Verbaasd haalde ik de hoorn van mijn oor af en keek ernaar. Wat was dit voor een gesprek?

‘Hallo, hallo, ben je daar nog?’, klonk het. De grasmus fladderde weer weg. Vlug drukte ik de hoorn weer tegen mijn hoofd.

‘Ik ben er nog. Ik was even verbaasd, maar het lijkt me een fantastisch interessant gegeven.’

De man bromde instemmend.

‘Luister. Het is belangrijk dat je je op een volstrekt solidaire manier opstelt naar de Indigenas. Ze willen dat de redenen voor hun bij­eenkomst in de hele wereld bekend wordt, maar ze willen niet dat er op een verkeerde manier mee omgegaan wordt. De meeste indianen hebben zeer slechte ervaringen met de media. Ik ken de mensen van deze organisatie, zij kennen mij en ze vertrouwen me. Het videomateriaal dient achteraf ter beschikking te komen van de organisatie Sendama, maar we mogen er zelf ook een film uit samenstellen. ARTE (een grote Frans-Duitse tv-organisatie) heeft belangstelling voor het idee, en heeft voorlopig zo’n veertigduizend D-Mark toegezegd. Maar dat is veel te weinig. Probeer al je contacten in de filmwereld te bewegen om nog een deel van het project mee te financieren. Je moet zelf je eigen reis naar Colombia betalen en een Betacam videocamera meenemen.’

Michael gaf me zijn telefoon- en faxnummer in Duitsland en in Cartagena, Colombia. Hij hing op, nadat hij beloofd had om me nog een fax te sturen met de officiële uitnodiging.

Stomverbaasd legde ik de hoorn weer op het toestel. Colombia… een grote bijeenkomst in het Amazonewoud… oude Maya-teksten over grote veranderingen in de wereld…

Het leek bijna exact op het gegeven uit een boek, dat ik nog niet zo lang geleden gelezen had, De Celestijnse Belofte. Daarin was ook sprake geweest van geheimzinnige oeroude indiaanse documenten, die opeens opgedoken waren en belangrijke boodschappen bevatten voor onze huidige tijd. Maar dat boek was verzonnen, fictie. Blijkbaar stond deze bijeenkomst echt te gebeuren, volgende maand al…

Opeens begon de fax te rammelen en rolde er een vel papier uit. Aan de enkele woorden Spaans die ik kon lezen begreep ik dat dit de uit­nodiging voor de bijeenkomst was. Gelukkig werd het gevolgd door een tweede vel, dat een vertaling in het Engels was.

Boven aan het blad stond de naam van de inheemse organisatie uit Colombia. Gespannen las ik de tekst:

 

Fundacion Sendama, organisator van de Tweede Bijeenkomst van de Inheemse Ouderen en Priesters van Amerika, Colombia 1997.

 

‘De volkeren van het Centrum moeten de Adelaar van het Noorden verenigen met de Condor van het Zuiden. We zullen ons verenigen met onze broeders, want we zijn een als de vingers van de hand.’

Wanneer men zomaar dingen tot zich neemt zonder om toestemming te vragen, dan is dat schadelijk.

Alles heeft geest, ieder ding heeft zijn eigen adem. Men moet de rituele kennis gebruiken om de behorende vergoeding ervoor te betalen. Dat is belangrijk om te weten en te begrijpen.

                                                   (gedachte van een Arhuaco)

 

In de maand November van 1995, op uitnodiging van de Raad van Ouderen van de Kíchee Maya’s, door middel van de stem van de Oudere en Priester Wacatel Utiw (Zwervende Wolf), officieel genaamd Don Cirilo Perez Oxlaj, verenigden zich in Guatemala vele Ouderen en Inheemse Priesters, die de oorspronkelijke bewoners van het continent representeren.

De uitnodiging gehoorzaamde aan de geschreven oproep in de Maya-codices, die onze tijd beschrijft als een Tijd van Ontwaken van Amerika, de tijd waarin de Sacrale Tradities aan het licht zullen komen die gedurende vijf eeuwen verborgen zijn geweest, de tijd waarin de mens zich weer moet verbinden met de Grote Vader, met Moeder Aarde en met zijn ware geest, waarin de Slang zich verheft en de Condor en de Adelaar elkaar omhelzen.

 

De aanwezigen bij de Eerste Grote Bijeenkomst van Inheemse Ouderen en Priesters van Amerika trokken langs de Ceremoniële Plekken van de Voorouders. Op die manier herleefden de Heilige Tradities, ze mediteerden en spraken met hun Wakas in naam van alle stammen van Amerika, en spraken hun heilige kennis uit. ‘Verenigd als de vijf vingers van de hand’

In het Ceremoniële Centrum van Saculew, op de top van de piramide van Quetzalcoatl, vormden de aanwezige Ouderen die ouder waren dan 52 jaar, op een ceremoniële wijze de Consejo de Ancianos de America, de Raad Van Oorspronkelijke Ouderen van Amerika. Op eenzelfde manier werd geconstrueerd de Consejo de Sacerdotes, de Raad van medicijnmannen en medicijnvrouwen en de Raad van Ser Puentes, de brugpersonen. (personen die, onafhankelijk van hun ras de verbinding tot stand brengen tussen de westerse en de inheemse gemeenschappen.

 

Dan volgde een korte uitleg over Sendama, die de taak op zich had genomen om de Tweede Grote Bijeenkomst te organiseren in Colombia. De tekst vervolgde:

 

Tijdens dit evenement zullen de volgende thema’s aan de orde komen:

 

C   Ceremonies, Heilige Tradities en Profetieën die de culturen van het continent verenigen

C   Kennis van de geest of sjamanistische kennis als een alternatief voor de problemen van de moderne tijd

C   Op traditionele wijze proberen om het evenwicht van Moeder Aarde te herstellen, voor de noodzaak tot overleven van de planeet en haar bewoners

 

Onder aan de bladzijde stond de datum: van 19 tot 30 juni 1997. Daaronder stond nog:

 

Alleen met de medewerking van de culturen die Moeder Aarde verdedigen kan de weg naar vrede en harmonie worden hersteld.

 

Ik moet zeggen dat mijn hand enigszins trilde nadat ik deze tekst gelezen had. Op de een of andere vreemde manier kwam er iets op mijn weg, dat een antwoord inhield waarnaar ik lang had lopen zoeken. Een zoektocht, die ik – misschien toen nog onbewust – zo’n vijftien jaar geleden had aangevangen…

Hoofdstuk 1

IMOX (IMIX)

vruchtwater, zee, waterlelie, zeedraak

 

Imox is de kracht die geboorte geeft aan nieuw leven,

nieuwe scheppingen. Imox laat leven op aarde ontstaan.

Dag uit de Maya-kalender om boodschappen uit de

goddelijke wereld te ontvangen.

 

Als je je leven beschouwt als een tocht over een onbekende rivier, dan kun je misschien zelf niet je bestemming zien liggen, maar de rivier weet het, de rivier weet waarnaar zij stroomt, want ze is al vanaf het begin met het eindpunt verbonden…

Een geslaagd leven betekent voor de Maya’s, dat het je lukt je eigen weg te gaan volgens het teken van de dag waarop je geboren bent. Hoe meer geslaagde levens er zijn, hoe meer de kosmos in evenwicht is. De Maya-priesters zijn ‘zij die de dagen tellen en vertrouwd zijn met de bewegingen van de tijd.’ Zo worden zij genoemd. Vandaar dat Maya-priesters proberen de mensen te helpen om hun weg te vinden. Die weg vind je soms pas na heel veel jaren, als je onverwacht ziek geworden bent en je jezelf afvraagt wat er aan de hand is. Dan ga je naar de Maya-priester die met jou naar de dag van je geboorte gaat kijken.

 

In het vroege voorjaar van 1997 kon ik persoonlijk weinig lijn in mijn leven ontdekken. Mijn carriPre als documentaire filmmaker schoot voor geen meter op. Mijn leeftijd wel; ik was de dertig inmiddels alweer enige jaren gepasseerd. Eigenlijk speelde ik al een tijdje met de gedachte om het bijltje erbij neer te gooien en een totaal andere koers te gaan varen, toen op een dag, vroeg in mei, plotseling de telefoon rinkelde en een volmaakt onbekende stem mij vroeg om met mijn filmcamera naar Zuid-Amerika te komen. Dat was het begin van een op dat moment voor mij onvoorstelbaar avontuur, dat jaren later zou eindigen bij de piramides van de Maya’s.

Maar laat ik eerst bij het begin van deze gebeurtenissen beginnen, laten we zeggen bij de dag dat de laatste bocht in de rivier gerond werd en de aanlegsteiger in de verte zichtbaar werd…

 

Die dag in mei staarde ik in de tuin achter onze grote woonboerderij uit het raam van het tuinhuisje, waarin zich mijn bureau en mijn 16mm Steenbeck montagetafel bevonden. Met nog een archiefkast vol klappers met filmonderwerpen, adressen van tv-zenders, fondsen en financieringsinstellingen was mijn kleine werkruimte daarmee zo goed als gevuld. Op het Limburgse platteland vormde dit tot tuinhuis omgebouwde bouwkeetje de wereldhoofdvestiging van mijn film­productiebedrijf. De wielen van het mobiele huis had ik ingegraven in de grond, aan de lange zijde van de keet had ik twee oude tuindeuren gezet en Diana had me het idee aan de hand gedaan om tegen de voorkant van het huisje nog een veranda met een rieten dak te maken, wat het geheel een exotische, Afrikaanse aanblik bood. Zelf noemde ik het wel eens de meest landelijk gelegen filmstudio van Nederland, met een prachtig uitzicht over onze tuin, waarachter uitgestrekte akkers, aspergebedden en weilanden vol koeien lagen. We wisten dat onze buren mijn werkruimte heimelijk ‘de patatkraam’ noemden, vanwege de ijzeren kachelpijp die een meter boven het dak uitstak. Waarschijnlijk waren ze niet de enigen die deze ruimte op zijn zachtst gezegd een merkwaardige werkplek vonden, en zich afvroegen waarmee ik me nu in godsnaam ledig hield. Dat vroeg ik me zelf ook wel eens af…

We leefden in een uitgewoonde oude boerenhoeve, die we zeer goedkoop konden huren omdat de eigenaar geen zin had om haar goed te onderhouden. Op zaterdagen werkte ik vrijwillig in het onderhoud van natuurgebieden en met het hout dat ik in ruil daarvoor mocht meenemen, verwarmden we in de winter ons huis, dat geen centrale verwarming bezat. We leefden van zeer weinig, en verder deed ik ontzettend mijn best om aan de buitenkant van de maatschappij te blijven, om me niet gek te laten maken door de materialistische samenleving om me heen.

Eigenlijk joeg ik een onmogelijke droom na: reizen over de wereld om de natuurvolkeren van de aarde te bezoeken, ze te fotograferen, filmen en verhalen over hun levenswijze en levensvisie te schrijven. Ik had het vage vermoeden, dat wij in het ‘ontwikkelde westen’ iets over het hoofd zagen. Dat we in onze steeds toenemende haast ergens hard aan voorbijliepen, een bepaalde essentie, rustige, evenwichtige woorden die uit de Aarde kwamen, inzichten die slechts in stilte en in diepe verbondenheid met de natuur tot ons konden komen. Wie kon ik het uitleggen, wie wilde er luisteren in een wereld van overdaad? Dat we in een tijd waren aanbeland, waarin die woorden, die inzichten van peilloze ouderdom, juist van cruciaal belang waren voor het voort­bestaan van de Aarde, van de mensheid. We waren onze innige band met de Aarde verloren, en met de voortschrijdende vernietiging van de inheemse culturen sneden we onze laatste wortels met ons verleden en met de natuur door. We raakten ‘ontaard’ en vergooiden onze kans op overleven, op deze aarde. Iets van die kennis moest bewaard blijven, gered worden, vastgelegd op film, foto, papier. Dat waren de vage gedachten en nauwelijks geformuleerde doelen die mijn levenskoers bepaalden. Ik sloeg links en rechts om me heen, zonder mijn bootje echt goed op koers te krijgen.

En van die zoektocht, die odyssee naar die verdwijnende culturen, moest ik me tegelijkertijd op de een of andere manier in leven houden, omdat ik nu eenmaal zelf niet in de vrije natuur leefde, maar in een kapitalistische economie, die op volle toeren draaide.

Een idealist was ik, verdomd nog an toe, een idealist en een non-conformist. En idealisten leiden niet zelden een armoedig bestaan.

In mijn werkruimte hingen nog bijna tastbaar, als onzichtbare, niet gematerialiseerde deeltjes energie, de woorden uit een discussie die ik een uur geleden met een vriend gevoerd had, en die als zeurende achtergrondmuziek ergens in mijn hoofd bleven voortklinken.

Deze vriend was beeldend kunstenaar. Hij kreeg de ene opdracht na de andere uit het bedrijfsleven.

‘Zo komt er tenminste geld op tafel voor de dingen die ik echt wil maken.’

Ik wist, dat hij zo hard moest rennen voor zijn opdrachten, dat het van dit laatste nooit meer kwam. Deze discussie kwam vaker langs. Beiden bezaten we juist dat deel van de waarheid waarmee de ander niet kon leven. Gedachten gingen door mijn hoofd, ik zocht naar woorden om hem niet te kwetsen, maar die tegelijkertijd mijn bestaansgrond en overtuigingen wel overeind hielden.

‘Misschien heb je gelijk. Maar hoe voorkom je dat je jezelf corrumpeert? Hoe houd ik mijn geloofwaardigheid overeind? Wat ik aan de ene kant met mijn films wil uitdrukken, is dat het roer om moet, dat we op zoek moeten naar een herstel van onze band met de natuur. Hoe kan ik dan tegelijkertijd zo hard meewerken om het systeem in stand te houden en te promoten, dat aan de grondslag ligt van de grenzeloze vernietiging van de natuur? Hoe kan ik dan werkelijk hopen op verandering, wanneer ik daarin zelf als een volslagen schizofreen handel?’

Ik wist met welke woorden ik deze discussie van hem winnen kon, maar iets weerhield me deze woorden uit te spreken. De waarheid was dat ik medelijden met hem had; ik voelde dat hij mij diep in zijn hart benijdde om mijn vasthoudendheid aan mijn keuzes. Ik voelde dat hij afgunstig op mij was, omdat mijn vrouw mij wel hierin tot steun was, terwijl die van hem gillend was weggehold. Als kunstenaar hield ik hem een spiegel voor, waarin hij liever niet keek. Tegelijkertijd hielp mijn gelijk mij geen steek verder. Meer dan de helft van mijn projecten kwamen niet van de grond door een voortdurend gebrek aan geld.

Terwijl hij de grote tuindeuren naar buiten opensloeg en aanstalten maakte om te vertrekken, draaide hij zich nog eenmaal naar me om. Om zijn mond zat een spottend glimlachje, toen hij zei: ‘En daarom zit jij hier, in dit schuurtje in je tuin, tot de wereld verandert?’

Dat was vals van hem, en dat wist hij. En toch haalde ik slechts mijn schouders op, maar toen hij verdwenen was, mompelde ik tegen de leegte die hij achterliet de woorden die ik eigenlijk tegen hem had willen zeggen.

‘En wanneer heb jij voor het laatst de dingen gemaakt die je echt wil maken, Matti? Die je bestaan als kunstenaar rechtvaardigen?’

Wat was het leven soms toch ingewikkeld. Naast het raam, onder de overstekende rieten dakrand van het tuinhuisje, was een zeldzame grasmus bezig met het bouwen van een nest. Raar eigenlijk dat zo’n bijzonder diertje zo’n gewone naam was toebedeeld. Het voortdurend af en aan vliegen van het vogeltje voor het raam onderbrak telkens mijn gestaar, voor even, dan verviel ik weer in diep gepeins over hoe er in vredesnaam een nieuwe impuls moest komen aan mijn bezigheden als filmmaker. Er zouden binnen afzienbare tijd nieuwe projecten moeten gaan lopen, of mijn vorige film zou op zijn minst moeten worden aangekocht door een tv-station.

Mijn plan om een film te maken over sjamanisme kreeg vooralsnog geen magische vleugels. De film zou een dubbelportret moeten worden, van een traditionele sjamaan in een traditionele cultuur ergens in Siberië of Mongolië, en een ‘moderne’ sjamaan in Nederland, in de vorm van een alternatieve genezer. Het zou een beeld op moeten leveren over hoe een oeroud verschijnsel als sjamanisme weer langzaam vorm begon te krijgen in een moderne, rationele en verstedelijkte samenleving als Nederland. Door de ontkerkelijking en de secularisatie, maar ook denk ik door het steeds verdergaande materialisme en de holheid van de consumptiemaatschappij, waren veel mensen, net als ik, op zoek naar nieuwe vormen van zingeving aan het bestaan, op zoek naar dat ene existentiële antwoord op de vraag die vele generaties voor ons al bezig heeft gehouden: Wat doe ik hier? Waartoe is de mens eigenlijk op aarde? Om te consumeren?

Achteraf denk ik, dat ik met deze vragen de hemel bewoog, dat ik hiermee de contouren van de werkelijkheid schiep die zich weldra aan mij zou voltrekken. Want wie zoekt zal vinden…

Wanneer men met de irrationele kanten van het bestaan wordt ge­con­fronteerd, hoor je het wel eens mompelen: ja, ja, er is meer tussen hemel en aarde. Maar de meeste mensen laten het bij die woorden. Weinigen doen vervolgens nog een poging om zelf uit te zoeken, wat er verder allemaal dan nog meer zou kunnen zijn. Ik was op een punt in mijn leven aangekomen waarop ik bereid was om in alle hoeken en gaten naar een bevredigend antwoord te zoeken, omdat dat antwoord mij misschien een aanvaarding van de werkelijkheid in het algemeen zou kunnen opleveren, en bovendien van mijn existentie hier op aarde in het bijzonder. En ergens, misschien ergens, lag in dat antwoord ook een weg die ons kon terugvoeren naar de natuur. Was sjamanisme het antwoord? De overtuiging dat alles in de werkelijkheid bezield is door geestkracht, bewustzijn?

Vanuit die vraagstelling, en ter voorbereiding op mijn film, was ik begonnen aan een persoonlijk onderzoek naar de werking van sja­ma­nistische genezingsrituelen, door mezelf als proefkonijn te beschouwen. Want een belangrijke manier waarop je echt inzicht kunt verwerven in wat er meer is tussen hemel en aarde is volgens mij vooral door persoonlijke ervaring. Er zijn ontzettend veel antropologische studies geschreven over natuurvolkeren, die alleen de buitenkant beschrijven van sjamanistische rituelen. Je kunt er boeken over lezen, films over zien, en urenlang discussies voeren over de vraag of er wel of geen on­zichtbare werkelijkheid om ons heen bestaat, maar voor een uit­eindelijk oordeel over deze materie zul je op een gegeven moment toch zelf de persoonlijke ervaring moeten opzoeken.

Eigenlijk ging heel ver achter dit soort experimenteel onderzoek van me nog een andere vraag schuil, een andere zoektocht; het zoeken naar God. Bestond God nou eigenlijk wel of niet? En zo ja, hoe kreeg ik daar dan bewijzen voor, niet in de zin van een wetenschappelijk bewijs, maar meer in de zin van een persoonlijk bewijs, door per­soonlijke ervaring.

Zelf was ik bijna allergisch geworden voor het woord ‘God’, omdat het beelden opriep van voor mij holle, betekenisloze katholieke rituelen, en van nietszeggende, veel te dikke pastoors, die een onverdraaglijk idioom voerden. Vandaar dat die vraag meestal verstopt bleef onder het denken over een magische werkelijkheid, die naast de onze wel of niet bestond, over de vraag of er leven was na de dood, of reVncarnatie wel of niet mogelijk was en meer van dat soort metafysica.

Gedreven door nieuwsgierigheid en wie weet wat nog meer, begon ik samen met mijn vrouw regelmatig sessies bij te wonen van een Nederlandse paranormale genezer, die zichzelf klankschaal-therapeut noemde en veel met trance-technieken werkte, een staat van zijn die in sjamanistische culturen een grote rol speelt, omdat men in die toestand in staat is om de ‘andere werkelijkheid’ binnen te gaan. Hij had zelfs de euvele moed om zich op zijn visitekaartje aan te duiden als ‘sjamaan’. Ik wilde neutraal blijven in het al of niet accepteren van dit predikaat, en louter afgaan op wat ik zou beleven. Eén zaterdag in de maand dreven we weg op de zachte klanken van de Tibetaanse klankschalen en die prachtige boventoonzang van deze genezer, en traden we binnen in werelden en ervaringen waarover ik verbaasd en enthousiast raakte. Op emotioneel niveau werden er lagen aangeraakt in mijn ziel, die ik jarenlang voor mezelf verborgen had gehouden, maar die door de verfijnde klanken en trillingen bijna vanzelf naar de oppervlakte kwamen drijven. Op een gegeven moment vertelde ik deze therapeut van mijn plannen om een film te maken, over een ‘moderne’ en een traditionele sjamaan. Glimlachend had hij erin toegestemd dat de film deels over hem zou gaan. Ooit had iemand hem voorspeld, zei hij, dat hij nog eens met een film te maken zou krijgen. Ik had verbaasd gegrinnikt en gevraagd of hem ook verteld was of het een succesvolle film zou worden? Hierop had de genezer zeer serieus gekeken, en toen nadenkend geknikt. ‘Het zal heel veel los gaan maken in de wereld’.

Voorlopig maakte het alleen nog veel los bij mezelf. We zijn tenslotte, zoals alles in de materie, trilling, vibratie, en we bestaan voor negentig procent uit water. Geheel volgens de oeroude kalenderprofetieën van de Maya-indianen (waarvan ik toen nog nooit vernomen had; ik dacht dat de Maya’s zo’n duizend jaren geleden op een mysterieuze manier van de aardbodem verdwenen waren) begonnen aan het eind van de Twintigste Eeuw steeds meer mensen zich te herinneren; het leek alsof de knellende banden van de oude religies in de jaren zestig en zeventig waren afgeschud, en het geestdodende materialisme van de jaren tachtig bij velen juist die impuls op gang had gebracht, om weer op zoek te gaan naar de zin van het bestaan. Daar was in de officiële media echter zeer weinig van te merken, behalve in uiterst negatieve termen. Angst­vallig hielden de publieke omroepen vast aan de ideologische grondbeginselen van de zuilen waaruit ze waren voortgekomen. Een film over persoonlijke experimenten met het bovennatuurlijke ging hen dan ook veel te ver. Ik was nu een jaar lang bezig geweest met het zoeken naar mogelijkheden voor mijn film, maar die waren nog geen stap dichterbij gekomen.

Ik werd uit mijn overpeinzingen gehaald, doordat er een prachtige zwarte vlinder op het vensterglas landde. Alweer een zeldzame gast uit het dierenrijk. Geboeid sloeg ik het prachtige insect enige tijd gade.

De rups die een vlinder wordt, de kleur van het diertje: in een sjamanistische cultuur zou dit gegeven meteen een magisch-symbolische uitleg krijgen en geduid worden als een voorteken van persoonlijke transformatie. In een magische wereld hing alles met elkaar samen, had alles een betekenis en kwam alles op het juiste moment naar je toe.

In een magische wereld wel. In een opwelling besloot ik het nummer van de Süddeutsche Rundfunk te bellen. Enige tijd geleden had ik hun een videokopie gestuurd van mijn laatste film, een film over een Asmat-Papoea, die diep in het oerwoud van West-Papoea op geheel eigen wijze strijd voerde tegen de vernietiging van het regenwoud en van zijn cultuur. In Nederland was geen enkele omroep geVnteresseerd geweest in dit onderwerp. Het kappen van de oerwouden was alweer een ‘non-issue’ geworden, het milieu was immers niet meer ‘in’, of misschien waren de gevestigde belangen niet langer gediend met een nog langer voortdurende aandacht voor het probleem. Dus bestond het probleem niet meer, voor de media niet, dus ook niet langer voor het publiek. Met heel veel pijn en moeite had ik de film toch kunnen maken, en daarom stuurde ik hem nu de hele wereld over in de hoop dat ze door buitenlandse zenders zou worden aangekocht en uit­gezonden.

Hoe ik nu opeens de gouden gedachte kreeg om bij de Süddeut­sche Rundfunk per telefoon te polsen hoe de zaken ervoor stonden, is me nog steeds een raadsel. Het is één van de geheimzinnigheden van de doolhof waarin het universum ons heeft geplaatst. Zonder nadenken en volslagen per ongeluk doen we vaak de meest relevante zetten om onze levens de juiste wending te geven. Alleen, hoe leer je, om zonder na te denken, per ongeluk, het juiste te doen? Zodra je je daarop gaat toeleggen, zul je zien dat het niet meer werkt, omdat je het dan te veel wilt sturen met je wil.

Er zijn duizenden tv-zenders in de wereld; normaal gesproken in­for­meerde ik altijd per brief, e-mail of per fax naar zakelijke beslissingen omtrent mijn filmprojecten. Deze keer niet.

De telefoon ging enkele malen over, voordat er een harde klik klonk die aangaf dat werd opgenomen. De contactpersoon die over de aankoop van documentaires ging, meldde zich, met een sympathieke stem. Hoewel ze het een zeer interessante film vonden, hadden ze er helaas geen plek meer voor. Het tv-station had juist een prestigieuze serie documentaires ontwikkeld over de grote wereldreligies; mijn film paste helaas niet bij deze thematiek.

Ik besloot om nog een gokje te wagen.

‘Ik ben me sinds enige tijd aan het verdiepen in het sjamanisme, wat eigenlijk de basis is van waaruit alle grote religies zijn voortgekomen. Ik ben inmiddels bezig met het schrijven van een scenario over dit onderwerp. Zou dat niet bij zo’n serie kunnen passen?’

De andere kant bleef even stil. ‘We hebben juist een film uitgezonden over sjamanen. Een film van Michael Tauchert, dat is een Duitse cineast die in Colombia woont. Hij heeft meer films gemaakt over sjamanen. Kent u hem of zijn films toevallig?’

Ik antwoordde ontkennend. Het gesprek liep ten einde, ik voelde dat het voor mij niets op zou leveren. Na de belofte dat de videokopie naar me teruggestuurd zou worden, verbraken we de verbinding.

Zuchtend staarde ik weer uit het raam en dronk van mijn koffie. De vlinder was verdwenen, maar door de ijle damp die van mijn hete mok koffie kwam, zag ik de grasmus opnieuw komen aan­vliegen met in zijn kleine spitse snaveltje enkele houten takjes. Die was tenminste flink bezig met het bouwen van een nest. Ik moest ook voor mijn nest zorgen. Twee weken geleden was onze tweede zoon geboren. Als mijn filmproject over sjamanisme niet deze zomer nog zou gaan lopen, dan zou ik noodgedwongen op ander werk uit moeten.

Eigenlijk had ik al links en rechts hiervoor geVnformeerd. Misschien was het ook wel beter, om eens een tijdje iets geheel anders te doen dan afwachten.

Opeens rinkelde de telefoon. Ik nam aan en noemde mijn naam. Iemand begon in het Duits tegen me te spreken.

‘Met Michael Tauchert. Ik hoorde dat je een film wilde maken over sjamanisme. Klopt dat?’

Ik antwoordde bevestigend, verbaasd. Aan de lijn was de filmmaker waarover die man van de Süddeutsche Rundfunk daarnet had ge­sproken. Hoe kwam hij aan mijn telefoonnummer?

‘Luister. Ik zit nu in Frankfurt, maar ik vlieg over twee weken weer terug naar Colombia, waar ik woon. De volgende maand, de 19e juni, komen er uit het hele Amerikaanse continent zo’n vierhonderd indiaanse sjamanen naar Colombia. Ze willen diep in het Amazonegebied bij elkaar komen om gezamenlijk rituelen uit te voeren voor de genezing van de aarde. Het schijnt dat deze bijeenkomst is voorspeld in een van de oeroude Maya-teksten, de Codices.’

De stem vervolgde: ‘Het zijn voorspellingen over enorme veranderingen in de wereld, die over niet al te lange tijd gaan plaatsvinden. Voor de indianenstammen die zullen komen is deze bijeenkomst een uiterst sacrale aangelegenheid. Ze willen absoluut niet dat het daar gaat wemelen van de pers. Vandaar dat ze mij hebben gevraagd om met een videocamera een verslag te maken. Er mag slechts een cameraploeg aanwezig zijn, en ik kan nog hulp gebruiken. Zou jij me daarmee willen helpen?’

Verbaasd haalde ik de hoorn van mijn oor af en keek ernaar. Wat was dit voor een gesprek?

‘Hallo, hallo, ben je daar nog?’, klonk het. De grasmus fladderde weer weg. Vlug drukte ik de hoorn weer tegen mijn hoofd.

‘Ik ben er nog. Ik was even verbaasd, maar het lijkt me een fantastisch interessant gegeven.’

De man bromde instemmend.

‘Luister. Het is belangrijk dat je je op een volstrekt solidaire manier opstelt naar de Indigenas. Ze willen dat de redenen voor hun bij­eenkomst in de hele wereld bekend wordt, maar ze willen niet dat er op een verkeerde manier mee omgegaan wordt. De meeste indianen hebben zeer slechte ervaringen met de media. Ik ken de mensen van deze organisatie, zij kennen mij en ze vertrouwen me. Het videomateriaal dient achteraf ter beschikking te komen van de organisatie Sendama, maar we mogen er zelf ook een film uit samenstellen. ARTE (een grote Frans-Duitse tv-organisatie) heeft belangstelling voor het idee, en heeft voorlopig zo’n veertigduizend D-Mark toegezegd. Maar dat is veel te weinig. Probeer al je contacten in de filmwereld te bewegen om nog een deel van het project mee te financieren. Je moet zelf je eigen reis naar Colombia betalen en een Betacam videocamera meenemen.’

Michael gaf me zijn telefoon- en faxnummer in Duitsland en in Cartagena, Colombia. Hij hing op, nadat hij beloofd had om me nog een fax te sturen met de officiële uitnodiging.

Stomverbaasd legde ik de hoorn weer op het toestel. Colombia… een grote bijeenkomst in het Amazonewoud… oude Maya-teksten over grote veranderingen in de wereld…

Het leek bijna exact op het gegeven uit een boek, dat ik nog niet zo lang geleden gelezen had, De Celestijnse Belofte. Daarin was ook sprake geweest van geheimzinnige oeroude indiaanse documenten, die opeens opgedoken waren en belangrijke boodschappen bevatten voor onze huidige tijd. Maar dat boek was verzonnen, fictie. Blijkbaar stond deze bijeenkomst echt te gebeuren, volgende maand al…

Opeens begon de fax te rammelen en rolde er een vel papier uit. Aan de enkele woorden Spaans die ik kon lezen begreep ik dat dit de uit­nodiging voor de bijeenkomst was. Gelukkig werd het gevolgd door een tweede vel, dat een vertaling in het Engels was.

Boven aan het blad stond de naam van de inheemse organisatie uit Colombia. Gespannen las ik de tekst:

 

Fundacion Sendama, organisator van de Tweede Bijeenkomst van de Inheemse Ouderen en Priesters van Amerika, Colombia 1997.

 

‘De volkeren van het Centrum moeten de Adelaar van het Noorden verenigen met de Condor van het Zuiden. We zullen ons verenigen met onze broeders, want we zijn een als de vingers van de hand.’

Wanneer men zomaar dingen tot zich neemt zonder om toestemming te vragen, dan is dat schadelijk.

Alles heeft geest, ieder ding heeft zijn eigen adem. Men moet de rituele kennis gebruiken om de behorende vergoeding ervoor te betalen. Dat is belangrijk om te weten en te begrijpen.

                                                   (gedachte van een Arhuaco)

 

In de maand November van 1995, op uitnodiging van de Raad van Ouderen van de Kíchee Maya’s, door middel van de stem van de Oudere en Priester Wacatel Utiw (Zwervende Wolf), officieel genaamd Don Cirilo Perez Oxlaj, verenigden zich in Guatemala vele Ouderen en Inheemse Priesters, die de oorspronkelijke bewoners van het continent representeren.

De uitnodiging gehoorzaamde aan de geschreven oproep in de Maya-codices, die onze tijd beschrijft als een Tijd van Ontwaken van Amerika, de tijd waarin de Sacrale Tradities aan het licht zullen komen die gedurende vijf eeuwen verborgen zijn geweest, de tijd waarin de mens zich weer moet verbinden met de Grote Vader, met Moeder Aarde en met zijn ware geest, waarin de Slang zich verheft en de Condor en de Adelaar elkaar omhelzen.

 

De aanwezigen bij de Eerste Grote Bijeenkomst van Inheemse Ouderen en Priesters van Amerika trokken langs de Ceremoniële Plekken van de Voorouders. Op die manier herleefden de Heilige Tradities, ze mediteerden en spraken met hun Wakas in naam van alle stammen van Amerika, en spraken hun heilige kennis uit. ‘Verenigd als de vijf vingers van de hand’

In het Ceremoniële Centrum van Saculew, op de top van de piramide van Quetzalcoatl, vormden de aanwezige Ouderen die ouder waren dan 52 jaar, op een ceremoniële wijze de Consejo de Ancianos de America, de Raad Van Oorspronkelijke Ouderen van Amerika. Op eenzelfde manier werd geconstrueerd de Consejo de Sacerdotes, de Raad van medicijnmannen en medicijnvrouwen en de Raad van Ser Puentes, de brugpersonen. (personen die, onafhankelijk van hun ras de verbinding tot stand brengen tussen de westerse en de inheemse gemeenschappen.

 

Dan volgde een korte uitleg over Sendama, die de taak op zich had genomen om de Tweede Grote Bijeenkomst te organiseren in Colombia. De tekst vervolgde:

 

Tijdens dit evenement zullen de volgende thema’s aan de orde komen:

 

C   Ceremonies, Heilige Tradities en Profetieën die de culturen van het continent verenigen

C   Kennis van de geest of sjamanistische kennis als een alternatief voor de problemen van de moderne tijd

C   Op traditionele wijze proberen om het evenwicht van Moeder Aarde te herstellen, voor de noodzaak tot overleven van de planeet en haar bewoners

 

Onder aan de bladzijde stond de datum: van 19 tot 30 juni 1997. Daaronder stond nog:

 

Alleen met de medewerking van de culturen die Moeder Aarde verdedigen kan de weg naar vrede en harmonie worden hersteld.

 

Ik moet zeggen dat mijn hand enigszins trilde nadat ik deze tekst gelezen had. Op de een of andere vreemde manier kwam er iets op mijn weg, dat een antwoord inhield waarnaar ik lang had lopen zoeken. Een zoektocht, die ik – misschien toen nog onbewust – zo’n vijftien jaar geleden had aangevangen…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *


4 + = 13

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>